Benedictus

De heilige Benedictus van Nursia (480-547) is de stichter van de naar hem genoemde monnikenorde. Zijn geestelijk nalatenschap is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van Europa na de val van het West-Romeinse Rijk. Zijn kloosterregel, waarin arbeid, matigheid en stabiliteit hoog in het vaandel staan, heeft velen binnen en buiten de Katholieke Kerk geïnspireerd. Benedictus is Beschermheilige van Europa.
 
Benedictus werd omstreeks 480 geboren in Nursia, het huidige Norcia in de Italiaanse regio Umbrië. Zijn zus was de heilige Scholastica, die als kind al aan God was toegewijd. Toen Benedictus veertien was gaf hij zijn wereldse leven op en nam zijn intrek in een ascetische gemeenschap in Affili. Later bewoonde hij als heremiet een spelonk in Sublacus (Subiaco). Daar ontstond een klooster waarvan Benedictus overste werd. Om zijn volgelingen de veiligste weg naar het monnikenideaal te wijzen, schreef hij een Regel voor het optimale kloosterleven, het enige schriftelijke werk dat hij heeft nagelaten.

Obedientia

Luisteren, aandachtig horen

Dit is de eerste basishouding waarbij gehoorzaamheid centraal staat. De nadruk ligt op ‘gehoor’ geven aan; het aandachtig luisteren en aandacht geven.

Stabilitas

Stabiliteit, loyaliteit en engagement

De tweede basishouding valt het best te omschrijven als  stabiliteit, volharding, de kunst van het erbij blijven. Je zou het commitment kunnen noemen of loyaliteit.

Converium Morum

Gerichte aandacht

De derde basishouding is een soort van kwaliteitsmanagement voor je dagelijkse leven. Aandacht voor de kleine dingen en waar het nodig is een beetje aanpassen.

De Regel van Benedictus

Benedictus van Nursia geldt als de grondlegger van het westers monnikendom omdat hij een ‘Regel voor monniken’ schreef, waarin hij op geniale wijze de traditie van het oosters monachisme aanpaste aan onze westerse mentaliteit. Voortbouwend op de wijsheid van de Woestijnvaders, Basilius, Pachomius, Augustinus en Johannes Cassianus zette Benedictus uiteen hoe je in een gemeenschap van monniken God moet zoeken.

Centraal in zijn Regel staat een begrip dat veel moderne mensen misschien maar matig kunnen waarderen: de nederigheid. Nederigheid heeft echter niets te maken met minachting van jezelf, maar alles met hoogachting van God. Of, beter nog: met vertrouwen in God en overgave aan God. De nederige mens is iemand die alle zelfvoldaanheid voorbij is en met een levende hoop bezield voor God staat.

Als een echte monnikenvader toont hij hoe je de weg naar God kunt zien als een ladder, waarop je God kunt naderen door op te klimmen, dat wil zeggen: door te groeien in nederigheid. Hoe hoger de monnik klimt, hoe nederiger hij wordt en hoe meer hij God zal liefhebben.
Al klimmende zal hij komen tot innerlijke vrijheid. Door het samenleven met God en zijn medemonniken worden gaandeweg zijn verlangens uitgezuiverd en omgevormd, zodat hij, boven gekomen op de ladder, niets anders meer verlangt dan Gods liefde.

In het 7e hoofdstuk van zijn Regel (‘Over de nederigheid’) schrijft hij: “Dit afdalen en opklimmen wil ons ongetwijfeld niets anders zeggen dan dat men door hoogmoed afdaalt en door nederigheid omhoogklimt. Die overeind staande ladder nu is ons leven hier op aarde; zij zal, als ons hart nederig is geworden, door de Heer naar de hemel worden opgericht.”